Financiële beschouwingen

Uitgangspunten begroting

Bij het opstellen van deze begroting hebben we de Perspectievennota 2019 als uitgangspunt genomen.  Voor nieuwe uitgaven in de Perspectievennota was (na bezuiniging) € 100.000 structureel en € 200.000 incidenteel beschikbaar. In de voorgelegde Perspectievennota hebben wij voorstellen gedaan voor de besteding hiervan aan onvermijdelijke nieuwe uitgaven.

In uw vergadering van 26 juni zijn er ten opzichte van dit voorstel geen aanpassingen aangebracht, zodat wij het collegevoorstel nu hebben verwerkt in de voorliggende begroting.
De nieuwe uitgaven zijn verwerkt in de diverse programma's. Met het vaststellen van deze begroting worden alle nieuwe uitgaven, inclusief de investeringen, formeel door u goedgekeurd.

Ook de bezuinigingen van 'Tiel in Evenwicht' hebben wij in deze begroting verwerkt. Per programma vindt u een overzicht terug van de in dat programma verwerkt bezuinigingen.
In uw vergadering van 26 juni is aandacht gevraagd voor de gevolgen van de bezuinigingen op subsidies voor individuele verenigingen en instellingen. Wij stellen daarom voor om een reserve in te stellen waarmee deze gevolgen tijdelijk verzacht kunnen worden (zie verder hierna en de nota Reserves en voorzieningen).

Voor de algemene uitkering uit het gemeentefonds zijn we uitgegaan van de septembercirculaire 2019.
Over de hoofdlijnen van de meicirculaire hebben we u destijds geïnformeerd in een informatienota. Ten opzichte hiervan valt de septembercirculaire voor de jaren 2020-2023 nu weer iets mee. Tegelijkertijd bestaat het risico dat het Rijk ook in 2020 minder gaat besteden dan het nu voornemens is, waardoor we in de loop van 2020 weer met tegenvallers te maken krijgen.

Verder hebben we in deze begroting rekening gehouden met de verwachte loon- en prijsstijgingen, zowel voor de uitgaven als de inkomsten. In de Perspectievennota gingen we voor de lonen nog uit van 3% en voor de prijzen van 2,5%.
Inmiddels is een nieuwe Cao gemeenteambtenaren gesloten en hebben we deze verwerkt in deze begroting. Deze leidt overigens niet tot een grote afwijking t.o.v. de eerdergenoemde 3%.
Voor de prijzen heeft het CPB inmiddels de raming bijgesteld naar 1,5%. Dit is ook het percentage waarmee in de algemene uitkering rekening wordt gehouden. Daarom hebben we in deze begroting ook de materiële budgetten (voor zover van toepassing) met 1,5% verhoogd.

Voor de belastingtarieven gingen we tot en met 2019 van de werkelijke stijging van de consumentenprijsindex over het voor-voorgaande jaar. Dit omdat we dan zekerheid hadden over het werkelijk gerealiseerde percentage. Nadeel hiervan was dat er verschil bestond tussen het percentage dat we gebruikten voor de uitgavenraming en het percentage van de inkomsten uit tarieven.
Daarom stellen we voor om met ingang van deze begroting voor de tarieven de geraamde index te gebruiken die we ook voor de uitgaven hanteren. Dat betekent dus dat we belastingtarieven indexeren met 1,5% (naast de voorgesteld verhoging van de OZB van 7,5% conform Tiel in Evenwicht).

Op basis van de berekening die we bij deze begroting hebben gemaakt gaan wij, evenals in 2019, uit van 1,0% rente over onze investeringen.

ga terug